Brief van de Vrienden aan de gemeente

“Vrienden van Het Domein willen betrokken worden bij de evaluatie van het functioneren van cultuurbedrijf De Domijnen. Die moet in hun ogen ‘open en transparant’ plaatsvinden.” Dit is de kop van een artikel in De Limburger, 28 januari 2020, gepubliceerd na de ontvangst van een brief van het bestuur gericht aan het gemeentebestuur  Sittard-Geleen.

 

Dit is de brief die we hebben gestuurd:

(en: kijk ook eens in ons archief april 2014)

 

Sittard-Geleen, 23 januari 2020
Geacht college, geachte leden van de gemeenteraad,
Naar aanleiding van de besprekingen over het cultuurbedrijf De Domijnen tijdens de laatste vergadering van de gemeenteraad en de daaraan gekoppelde commissievergaderingen alsmede van het krantenartikel in het dagblad De Limburger van 14 januari jongstleden onder de kop “ De Domijnen gehinderd in ontwikkeling “, willen wij onderstaande dringende oproep aan u doen, nu de evaluatie van De Domijnen in de volgende raadsvergadering van 30 januari aanstaande en ook daarna kennelijk weer op de raadsagenda staat.

Uit de beraadslagingen over de evaluatie van het cultuurbedrijf blijkt niet, dat alle relevante gegevens om die evaluatie open en transparant te doen zijn, publiek zullen worden. In het krantenartikel geeft de raad van toezicht en het bestuur van het cultuurbedrijf De Domijnen te kennen, dat de resultaten van het cultuurbedrijf na vijf jaar functioneren, met name negatief zijn beïnvloed door het feit, dat het personeel nog niet uit dienst is getreden bij de gemeente en in dienst bij de stichting De Domijnen.

Toen de discussie over de noodzaak en de snelheid van invoering van – en overdracht van alle activiteiten aan het cultuurbedrijf is gevoerd in de zomer van 2014, hebben wij als vrienden van het
“oude “museum Het Domein onze zeer sterke twijfels geuit over zowel de wenselijkheid van het onderbrengen van het museum binnen dat cultuurbedrijf als ook over de snelheid, waarmee het toenmalige college van B & W en uiteindelijk ook de meerderheid van de toenmalige gemeenteraad het cultuurbedrijf en de overdracht van alle activiteiten aan dat bedrijf noodzakelijk achtten.
Ondanks de onzes inziens gefundeerde bezwaren heeft het toenmalige college van B & W, daarbij gesteund door een meerderheid van de toenmalige gemeenteraad, in de raadsvergadering van september 2014 besloten tot de invoering en overdracht op 1 januari 2015.

De kwaliteit van het gebodene was meer dan gewaarborgd en zou zelfs door de kruisverbanden binnen één organisatie beter worden. De snelheid van invoering was noodzakelijk vooral in verband met het waarborgen van de belangen van het personeel. Aldus de destijds gegeven belangrijkste argumenten tegen onze argumenten voor afstel dan wel uitstel van de invoering.
Ondanks het feit, dat wij daar niet van overtuigd waren, hebben wij het voordeel van de twijfel gegeven aan het nieuwe cultuurbedrijf en de ontwikkelingen afgewacht.
Op 1 januari 2020 was het vijf jaar geleden, dat het cultuurbedrijf is gestart. Terecht heeft uw college en u, gemeenteraad, de evaluatie van dat bedrijf geagendeerd.
Gezien het bovenstaande menen wij u met recht te kunnen oproepen ons bij de evaluatie van de museale activiteiten van het cultuurbedrijf te betrekken en in het algemeen de totale evaluatie daadwerkelijk in alle openheid en transparantie te doen plaatsvinden. Dat eerste is ons destijds toegezegd en het laatste is, naar onze mening, uw plicht, nu jaarlijks vanuit onze gemeente en dus de bevolking van onze gemeente afgerond € 9.000.000, — en dus in de afgelopen 5 jaar € 45.000.000, — aan gemeenschapsgeld is toegevloeid aan dat cultuurbedrijf en dat bedrijf niet zonder
dat gemeenschapsgeld kan bestaan (bron: Jaarverslag Cultuurbedrijf 2018, algemeen en blz. 41).

Van de vier onderdelen van het cultuurbedrijf kan niet gezegd worden, dat ze sinds de oprichting van dat cultuurbedrijf glorieus zijn gaan functioneren. Dat was wel het toekomstbeeld, dat de tegenstanders van het cultuurbedrijf werd voorgehouden door het toenmalige college van B en W, de meerderheid van de toenmalige gemeenteraad en het aantredende bestuur en de aantredende raad van toezicht van het cultuurbedrijf in het najaar van 2014.

Wat betreft de niet museale activiteiten hebben wij slechts betrokkenheid als consument van het cultureel gebodene en beperken ons dus tot enkele algemene waarnemingen.
De bibliotheek is veel kleiner geworden. Al moet gezegd, dat hij wel behouden is en dat dat verkleinen een landelijke tendens is.
De muziekschool “Arte Muse” heeft het cultuurbedrijf kennelijk nauwelijks of niet overleefd. Als de perspublicaties ook maar ten dele op waarheid berusten, is eerder sprake van een drama dan van de destijds veronderstelde mooie ontwikkelingen.
Van de schouwburg zien wij slechts, dat de toeschouwersaantallen sterk zijn gedaald en dat “onze schouwburg” in de actuele publicaties over cruciale ontwikkelingen in Zuid-Limburg, niet wordt genoemd. En verder horen wij van onze leden, dat zij de schouwburgen van Heerlen en Maastricht vaker bezoeken dan in het verleden en elkaar daar meer ontmoeten dan in onze schouwburg.
Dan de museale activiteiten en ontwikkelingen, waar we recht van spreken menen te hebben, gezien het verleden.
De kwaliteit van de musea is ruimtelijk toegenomen. Dat wil zeggen dat beide musea meer ruimte ter beschikking hebben. Maar daardoor hebben ze samen ook veel hogere huisvestingskosten, die betaald moeten worden van het niet toegenomen totale budget.
De kwaliteit van het gebodene over de hele lijn is zeker niet gestegen. Én, wat het belangrijkste is, het bezoekersaantal is gedaald.
Het zoeken naar de oorzaak daarvan moet naar onze mening onderdeel zijn van de open en transparante evaluatie.
Onze stichting had een zeer nauwe band met de voorgangers van dit bestuur en daarvan is onder het bestuur van het cultuurbedrijf niets of nauwelijks iets over. Er bestaat geen band tussen onze stichting en het cultuurbedrijf dit in tegenstelling tot de band met de stichtingen van de musea in Roermond en Maastricht die is gegroeid en nauwer is geworden. Het aantal leden van onze stichting is nog steeds 170. Wij ervaren enkel kille zakelijkheid als we contact zoeken, in plaats van culturele warmte. Van de zijde van het bestuur is er hoegenaamd geen enkele poging ondernomen, om te bespreken welke relatie met onze stichting mogelijk was. Er is van onze kant zeker de bereidheid om te onderzoeken welke bijdrage wij als stichting kunnen leveren om de positie van de beide musea te versterken, en hoe het contact tussen het bestuur van het cultuurbedrijf en onze stichting van de grond kan komen en vorm kan krijgen.
Wat wij verder met zekerheid weten zijn vier dingen.

Ten eerste is bekend, dat er een zeer kritisch rapport is van de rekenkamer van de gemeente zelf over De Domijnen.

Ten tweede is bekend, dat het gerenommeerde onderzoeksbureau Berenschot een onderzoek heeft gedaan naar het functioneren van het cultuurbedrijf en dat het rapport door dat bureau uitgebracht, naar verluidt, niet minder kritisch is.

Ten derde weten we, dat jaarlijks afgerond € 9.000.000, — aan door de bevolking van onze gemeente betaald belastinggeld wordt overgemaakt naar het cultuurbedrijf. In de afgelopen vijf jaar derhalve € 45.000.000, — aan belastinggeld van de burger.

En ten vierde. Ondanks dat de verhouding personeel/bestuur/raad van toezicht een zaak is tussen werknemer, werkgever en vakbonden, menen wij u te moeten melden, dat wij bij frequente contacten uit de eerste hand horen, dat een niet onaanzienlijk deel van het personeel, waar begrijpelijkerwijs niemand van naar buiten durft te treden uit angst voor verlies van zijn eigen baan, ontevreden is over het bestuur van het bedrijf. Een angstcultuur is in het algemeen onwenselijk. Vandaar, dat wij u dit met gepaste terughoudendheid melden.

Dat alles zo zijnde roepen wij u, college en raad, als gekozen bestuur van onze gemeente en hoeder van het door de bevolking betaalde belastinggeld op om transparant en open het functioneren van alle betrokkenen bij het cultuurbedrijf te evalueren.
Transparant, een woord, waar zowel uw college als uw raad veel waarde aan hecht, betekent in dit geval in de breedte openheid van zaken.
Het rapport van de rekenkamer én het onderzoeksrapport van Berenschot dienen om die openheid en transparantie te waarborgen dan ook volledig en integraal gepubliceerd te worden.

Graag vernemen wij op zo kort mogelijke termijn, wanneer de rapporten integraal worden gepubliceerd en hoe en wanneer die openbare discussie zal plaatsvinden.
Wat betreft de museale activiteiten verzoeken wij u ons, conform de destijds gedane toezeggingen, nauw bij de evaluatie te betrekken en horen wij graag nader van u op welke wijze die betrokkenheid vorm zal krijgen.

Een kopie van deze brief zenden wij aan het dagblad de Limburger, omdat wij het van belang achten onze zorgen en onze mening publiek te maken.
Met vriendelijke groet,
Namens het bestuur van de Stichting Vrienden van het Domein,
w.g. Robert van Lanschot

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.